We beschouwden vroeger het Jodendom als wettisch. Christenen zouden vrij zijn van de wet. Sinds de jaren veertig van de vorige eeuw echter denken we meer positief over het Jodendom. We zijn er nu van overtuigd dat we veel van hen kunnen leren. Het Joodse woord voor Wet is Thora, maar het betekent ook: leer of instructie. De eerste vijf boeken van Mozes worden de Thora genoemd. De wet gaat niet om gebodsregels die op zich zelf staan.
De inleiding op de Tien Geboden luidt: “Ik ben JHWH je God die je deed uittrekken uit het land Egypte, uit het diensthuis.” De Tien Woorden staan in het teken van bevrijding van het volk en bevrijding van de mens. God wil volgens de Bijbel niet dat de mens die Hij met een vrije wil geschapen heeft zich afhankelijk maakt van dingen die net als de mens zelf geschapen zijn of die door de mens zelf gemaakt zijn.
De Wet of Thora gaat ook over de voortdurende ontwikkeling van de relatie van God met de mens, over het verbond dat Hij sloot met Adam, met Noach, met Abraham, met Hagar en Ismaël, met Jacob, met Mozes en met het hele volk Israël.
Het eerste gebod luidt:
7 Er mogen voor jou geen andere goden zijn
die het zicht op Mij in de weg staan.
8 Je mag geen uitgesneden godsbeeld maken,
geen enkele gestalte van wat in de hemel is boven,
van wat op de aarde is beneden
en van wat in de wateren beneden de aarde is,
9 je mag je voor hen niet neerwerpen en hen dienen
Als er staat je mag geen uitgesneden godsbeeld maken dan betekent dat dat je ook geen beeld in je geest mag maken van God. God is niet alleen niet een oude man met een baard op een wolk, maar ook niet het denkbeeld wat je van hem hebt..
Bij goden moet je niet alleen denken aan concrete voorwerpen als afgodsbeelden, amuletten en fetisjen. Het is alles wat je afhankelijk maakt, zoals een verslaving, geld, status, aanzien, erkenning, titel, familie, drugs, werk enz. Vul de lijst maar aan.
Wat moet ik doen?
We zijn er vaak van overtuigd dat we proberen zo goed mogelijk te leven. We kennen de wetten en regels uit de Bijbel en de gewone wetten. De meeste van ons zullen nog nooit op een wetsovertreding betrapt zijn, hoogstens op een verkeersovertreding.
We doen meer. We zetten ons in voor de samenleving. We vinden dat we veel van de samenleving gekregen hebben en dat we daarvoor ook wat terug moeten doen. Dit is mooi en goed en prijzenswaardig.
Een man komt naar Jezus toerennen. Hij heeft haast met zijn vraag. Hij valt voor Jezus op zijn knieën en vraagt dan vanuit deze nederige positie wat hij moet doen. Wat moet je doen om gelukkig te worden, om jezelf te zijn, om rust te vinden, om een trauma uit je verleden te verwerken, om vrede te vinden, om je vrij te voelen, om het eeuwige leven te beërven?
Jezus antwoordt door enkele geboden te noemen:
je zult niet moorden
geen overspel plegen
niet stelen
geen vals getuigenis afleggen
niemand te kort doen
eer je vader en je moeder.
Dit zijn de geboden van de tweede tafel van de Tien Woorden, die gaan over je relatie met je naaste. De man zegt dat hij dit steeds vanaf zijn jeugd beoefend heeft. Jezus keek hem aan en kreeg hem lief. En zei: “Er ontbreekt je slechts een ding. Verkoop alles wat je hebt en geef het aan de armen. Kom dan en volg mij.” Jezus vraagt de man in feite om zijn dertiende discipel te worden. Maar de man gaat weg, bedroefd. Hij was hiertoe niet in staat, omdat hij vele goederen bezat.
Jezus zegt na het vertrek van de man: “Het is moeilijker voor een kameel om door het oog van de naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk der hemelen binnen gaat.”
De leerlingen zijn verbaasd over deze uitspraak. Veel mensen geloven dat wanneer het je goed gaat, wanneer je succesvol bent, wanneer je veel vrienden hebt, wanneer je gezond bent dat je dan door God gezegend bent en dat je het dan dus in de ogen van God goed doet. Wanneer je ziek wordt of tegenslag hebt dan denk je al gauw: Waarom treft mij dit? Is het een straf van God? Uitgaand van dit geloof is de verbazing van de leerlingen begrijpelijk. De rijke man is niet rijk omdat hij gezegend is. Nee, omdat hij rijk is kan hij het Koninkrijk niet binnengaan. In feite plaatst Jezus met deze uitspraak de meeste van ons buiten het Koninkrijk..
Wanneer de leerlingen met onbegrip op deze uitspraak reageren, zegt Jezus dat bij God alle dingen mogelijk zijn. Dat is een paradox. Het is een onmogelijkheid, maar toch kan het.
Daarop vragen de leerlingen naar hun eigen beloning. Ze hebben voor Jezus en hun geloof in hem alles achter zich gelaten. Jezus antwoordt dat als je voor het evangelie opgeeft je huis, je broers en je zussen, je vader en moeder, je vrouw of kinderen of akkers dat je het dan 100-voudig terug zult krijgen, nu, en in de toekomst zul je het eeuwige leven hebben. Dit is vaak uitgelegd dat je in de kerk dit allemaal ontvangt. Je bent dan in een wereldwijde gemeenschap van mensen die elkaar met broeder en zuster aanspreken. .
Alsof hij een domper wil zetten op de vanzelfsprekendheid van de beloning, voegt Jezus de waarschuwing toe dat velen eersten de laatsten zullen zijn en vele laatsten de eersten, Of is dit een troost voor degenen die altijd achteraan komen?
Wat moet je doen?
Gerechtigheid beoefenen. De armen niet vergeten. Wat je hebt inzetten voor het werk van God. Je geloof bevestigen in een leven van liefde, je verantwoordelijkheid aanvaarden voor je geloofsgemeenschap en haar taak in de wereld met haar noden, je bewust zijn van je levensopdracht, samen met hen die je lief zijn.
En vrij zijn.
En blijven geloven, tegen alles in, dat bij God alle dingen mogelijk zijn. AMEN
Recent Comments